Als iemand lucide droomt, is diegene zich ervan bewust dat-ie droomt en kan-ie vaak ook z’n droom sturen. Slaaponderzoekers weten steeds beter hoe ze de kans op lucide dromen kunnen vergroten en hoe ze met de dromer kunnen communiceren. En dat opent de deur naar allerlei toepassingen
Ga er maar aan staan als proefpersoon: je hebt een kap met soms wel 256 elektroden op je hoofd, en elektroden naast je ogen en twee op je kin. Met die dradenboel moet je in slaap zien te vallen in een laboratorium, in plaats van in je eigen vertrouwde bed. Is dat eenmaal gelukt en begin je te dromen, dan is het zaak om lucide te raken, dat wil zeggen: je er bewust van zijn dát je droomt terwijl je wel door blijft slapen. En als kers op de taart moet je je vervolgens herinneren dat je je lucide toestand vanuit je droom aan de onderzoeker moet communiceren via een eerder afgesproken signaal van oogbewegingen (links-rechts-links-rechts).
Onderzoek naar lucide dromen lukt steeds beter
Zie daar de grote bottleneck van het onderzoek naar lucide dromen: spontane lucide dromen komen bij de meeste mensen zelden voor. En zelfs bij mensen die regelmatig lucide dromen, lukt het vaak niet om dat ook in het slaaplab te doen, laat staan in een claustrofobische en luidruchtige hersenscanner. Het gevolg? Tijdrovend en duur onderzoek, waarbij de resultaten vaak gebaseerd zijn op maar een handjevol proefpersonen.
Daar is de afgelopen tien jaar steeds meer verandering in gekomen, waardoor het onderzoek naar lucide dromen een grote vlucht heeft genomen. Met de juiste technieken lukt het inmiddels om de helft van de proefpersonen een lucide droom te bezorgen in het lab, en kunnen onderzoekers bovendien opdrachten geven aan de dromer, en die vervolgens terug laten rapporteren vanuit hun droom.

Maar waarom bestuderen we dit bewuste dromen überhaupt? Je leest er alles over in het volledige artikel in KIJK editie 3 van 2026. Bestel dit nummer in onze webshop.
Tekst: Reinoud de Jongh
Beeld: Shutterstock AI