’s Werelds oudste nog bestaande foto werd tweehonderd jaar geleden gemaakt. Daar ging een verbluffende reeks ontwikkelingen aan vooraf. Valt de uitvinder van de fotografie wel aan te wijzen?
Een schuin dak, met links en rechts hoge bebouwing. In de verte een boomkruin. Veel meer valt er niet te zien op de afbeelding die uitvinder Nicéphore Niépce in 1826, tweehonderd jaar geleden, maakte van het uitzicht vanuit zijn landhuis Le Gras in Saint-Loup-de-Varennes, in de Franse Bourgogne. Toch is het een van de belangrijkste foto’s uit de moderne geschiedenis: we kennen simpelweg geen ouder shot.
Is het dan de eerste foto ooit? Zeker niet. Was Niépce dan ’s werelds eerste fotograaf? Dat is maar net hoe je de term definieert. Feit is dat er in de beginjaren van de fotografie volop werd geëxperimenteerd. En dat maakt deze periode juist zo fascinerend.

Kermisattractie
Het woord ‘fotografie’ is een samentrekking van de Griekse woorden phos en graphein: licht en tekenen. Tekenen met licht, een prima omschrijving van het met behulp van licht vastleggen van beelden. De Brit John Herschel bedacht de term in 1839, toen er al decennialang aan de methode was gewerkt. Verschillende uitvinders hadden geëxperimenteerd met manieren om een permanente afbeelding op een ondergrond (de zogenaamde drager) vast te leggen en te bewaren. Daarvoor werd gebruikgemaakt van een geheimzinnig apparaat dat al honderden jaren bestond: de camera obscura.
De oorspronkelijke camera obscura (letterlijk: ‘donkere kamer’) was een verduisterde kamer of tent met in een van de wanden een gaatje. Het invallende licht wierp een afbeelding van de buitenwereld op de tegenoverliggende wand. Maar die stond op zijn kop: het gaatje dwong alle lichtstralen door één punt, waarbij licht van de bovenkant na het gaatje onderaan belandde.
De camera obscura gaat terug tot de tiende eeuw, maar werd vooral in de achttiende eeuw een bekend fenomeen. Het ontwerp was inmiddels geslonken tot een handzame doos en het gaatje was een geslepen lens geworden om het beeld te kunnen scherpstellen. Er zat bovendien een spiegel in die de omgekeerde weergave rechtop zette en hem vervolgens op een matglazen plaat aan de bovenkant van het apparaat reflecteerde.
Ook waren er versies van het apparaat die het beeld op een extern scherm konden projecteren. Op die manier was de camera obscura een populaire kermisattractie geworden en gebruikten kunstschilders hem om zo natuurgetrouw mogelijk afbeeldingen te kunnen natekenen. Een beetje valsspelen was dat wel, want het geprojecteerde beeld werd op doek overgetrokken. Oude meesters als Canaletto en Johannes Vermeer hebben er waarschijnlijk gebruik van gemaakt.
Maar wat als je de afbeelding in de camera obscura nu eens chemisch kon vastleggen? Meer daarover lees je in het volledige artikel in KIJK editie 6 van 2026.

Bestel KIJK editie 6 van 2026 in onze webshop, met gratis verzending binnen Nederland.
Tekst: Mark van den Tempel
Openingsbeeld: Shutterstock