Ze kunnen kwispelen en spelen, maar ze blaffen niet en poepen nooit. Ze brengen een uitgelaten stemming in huis, ook zonder uitgelaten te worden. Robothuisdieren worden steeds populairder.
Nederlanders zijn dol op huisdieren. Volgens de meest recente Pet Monitor, een rapport over trends en ontwikkelingen binnen de gezelschapsdierensector, is er in 45 procent van de Hollandse huishoudens minstens één beestje te vinden. Vooral aquariumvissen (6,7 miljoen stuks) zijn populair, gevolgd door katten (3 miljoen) en honden (1,8 miljoen), plus natuurlijk konijnen (o,4 miljoen) en andere knaagdieren (0,3 miljoen). De redenen om zo’n niet-menselijke kompaan in huis te nemen zijn erg divers: mensen zijn gefascineerd door dieren, denken dat de kinderen er iets van opsteken, of hopen er zelf meer door te gaan bewegen – maar ze vinden het vooral gewoon… gezellig.
In principe kunnen veel van die wensen ook door robothuisdieren worden vervuld. Elektronische kameraadjes zijn net zo goed boeiend, leerzaam, inspirerend en huiselijk. Bovendien zijn ze makkelijk te houden: ze eten geen peperdure speciaalvoeding, jagen niet op onschuldige vogels in de tuin, houden ’s nachts hun muil, kunnen binnenblijven als het regent, veroorzaken geen allergische reacties én kakken nooit op je hoofdkussen. Logisch dus dat verschillende fabrikanten inmiddels robotic pets aanbieden, variërend van veredelde knuffelbeesten tot complexe AI-machines. Waar de marktwaarde voor de robotdieren in 2025 nog op de 408 miljoen euro lag, zal die naar verwachting in 2035 ruim 1 miljard bedragen. En dat roept de vraag op: gaan robothuisdieren onze levende huisdieren vervangen?
Het antwoord op die vraag lees je in het volledige artikel in KIJK editie 6 van 2026.

Bestel KIJK editie 6 van 2026 in onze webshop, met gratis verzending binnen Nederland.
Tekst: Rik Peters
Beeld: Alamy/Imageselect/Patti McConville