Nabestaanden kunnen hun gemis niet alleen verzachten met foto’s en filmpjes van de overledene, ook videobellen met een avatar van je dierbare is al mogelijk – en de technologie belooft meer. Maar is het wel wenselijk dat bedrijven hun verdienmodel baseren op rouw?
“Ik kan je aanmelden bij iets dat helpt”, zegt een vriendin tegen Martha op de uitvaart van Martha’s partner Ash. “Het laat je met hem praten.” Martha wil er niets van horen, maar ziet later in haar mailbox dat de vriendin het account toch heeft aangemaakt. Ze klikt aarzelend op de link en raakt in gesprek met een chatbot die is getraind op sociale mediaberichten van haar overleden geliefde.
Het biedt onverwacht troost, dus gaat ze een stap verder: ze uploadt video’s waarmee het programma de stem van Ash leert imiteren. Na een tijdje intensief telefoongesprekken voeren, bestelt ze zelfs een robot die sprekend op Ash lijkt. Even vult het de leegte van het gemis, maar samenleven met een wandelende chatbot blijkt toch anders dan met een mens van vlees en bloed.
Deze aflevering (Be Right Back) van de serie Black Mirror stamt uit 2013. Toen was het sciencefiction, maar inmiddels wekken diverse AI-bedrijven de doden digitaal tot leven. Toegegeven, de technologie is nog niet zover dat je levensgrote robots aan huis geleverd krijgt. Maar chatbots die typen en spreken alsof ze je overleden dierbare zijn, zijn in een handomdraai in elkaar gezet.
Techbedrijven die zulke programma’s maken zijn vooral in Amerika en Azië actief, maar het is een kwestie van tijd voordat er Nederlandstalige versies verschijnen. Wat voor invloed heeft chatten met virtuele dierbaren op iemands rouwproces? En verandert zulke technologie hoe we tegen de dood en het hiernamaals aankijken? Het zijn vragen waar wetenschappers zich nu over buigen, in een poging de technologische ontwikkelingen bij te benen.
Dit is het begin van het artikel over rouwbot (thanabots) in het extra dikke zomernummer van KIJK.

Bestel KIJK editie 7/8 van 2026 in onze webshop, met gratis verzending binnen Nederland.
Tekst: Anouk Broersma