De komende jaren gaan we vele miljarden extra in defensie pompen. Daarmee wil Nederland militair onafhankelijker worden. Met een eigen vliegdekschip hebben we de Verenigde Staten minder nodig, maar is zo’n ingrijpende uitbreiding van onze vloot een goed idee?
Het wordt nog steeds gezien als een van de krachtigste vormen van militair machtsvertoon: een vliegdekschip (of vliegkampschip), waarop al varend vliegtuigen kunnen opstijgen en landen. De Verenigde Staten hebben met maar liefst elf stuks de meeste, maar ook de grootste exemplaren van dit soort enorme drijvende vliegvelden in hun marine. Daarmee zijn ze verreweg de koploper binnen de internationale ‘Aircraft Carrier Club’.
Nu onder president Donald Trump de banden tussen Europa en de Verenigde Staten onder druk zijn komen te staan, willen we aan deze kant van de Atlantische Oceaan steeds meer onze eigen militaire boontjes kunnen doppen. Is het dan ook niet tijd dat Nederland een eigen vliegdekschip laat bouwen?
Lees ook:
- Onderzeeboten, mijnenjagers en fregatten: deze 30 schepen versterken binnenkort de Koninklijke Marine
- Frankrijk bouwt het grootste oorlogsschip van Europa
De Dikke Boot
Vlak na de Tweede Wereldoorlog had de Koninklijke Marine twee keer een vliegdekschip in dienst – beide keren afkomstig van de Britse marine en beide keren Hr.Ms. Karel Doorman genaamd. Het eerste betrof een 161 meter lang verbouwd vrachtschip, waar van voor tot achter een vliegdek op was geplaatst. Met recht een vliegdekschip dus.
Toen de huurperiode van twee jaar ten einde kwam, werd dit gevaarte in 1948 ingeruild voor een betrekkelijk nieuw tweedehands exemplaar. Dit vliegkampschip – bijnaam de Dikke Boot – had hangars aan boord en al het andere dat nodig was voor de inzet van vliegtuigen op zee. Hoewel de ‘Marinebegrooting 1946’ nog optimistisch sprak van een viertal vliegdekschepen, bleef het bij dit ene exemplaar. Na de verkoop van het 214 meter tellende vaartuig, aan Argentinië in 1968, heeft Nederland nooit meer het budget gehad om met vliegtuigen vanaf zee te opereren. Wel met helikopters, die maar een relatief klein vliegdek nodig hebben om horizontaal op te stijgen en te landen; bijvoorbeeld vanaf de fregatten van onze zeemacht.
Nieuw Nederlands vliegdekschip?
De roep om een nieuwe, Hollandse aircraft carrier wordt dezer dagen weer groter. Niet alleen vanwege de acties van ‘The Donald’, maar ook door die van Vladimir Poetin. Grotendeels door de Russische invasie van Oekraïne in 2022 is onze defensiebegroting immers de laatste jaren flink opgepompt. Lag die halverwege de jaren 1910 nog ergens onder de 8 miljard euro, in 2026 valt er al ruim 26,8 miljard te verhapstukken aan ’s lands verdediging.
En in de komende jaren stijgt dat bedrag nog, dankzij NAVO-baas Mark Rutte, naar zo’n 40 miljard euro per jaar; conform de nieuwe NAVO-norm om 3,5 procent van het bruto binnenlands product te besteden aan defensie. Deze norm was afgelopen jaar aanleiding voor de VVD – en een paar maanden daarvoor al voor de PVV – om eens voorzichtig te informeren of het toch niet handig zou zijn om de Koninklijke Marine van een vliegdekschip te voorzien, ter vergroting van onze militaire onafhankelijkheid.
Maar is zo’n schip wel een goed idee? Je leest het in het volledige artikel in KIJK editie 9 van 2026.

Bestel KIJK editie 9 van 2026 in onze webshop, met gratis verzending binnen Nederland.
Tekst: Rick van de Weg