Sneeuw en hagel bestaan allebei uit bevroren water. Welke processen bepalen of het gaat hagelen of sneeuwen?
Neerslag begint bijna altijd met opstijgende en daardoor afkoelende lucht. Koude lucht kan minder waterdamp vasthouden dan warme lucht, waardoor die waterdamp condenseert tot kleine druppeltjes. Zo ontstaan wolken waaruit meestal regen valt.
Bij temperaturen ver onder nul kan de waterdamp zelfs direct veranderen in ijskristallen. Dat zijn de piepkleine zeshoekige sterretjes die we onder een vergrootglas in een sneeuwvlok kunnen zien. In stabiele koude wolken klonteren deze ijskristallen geleidelijk samen tot grotere vlokken die rustig naar beneden dwarrelen, en dan zal het sneeuwen.
Lees ook:
Hagel ontstaat in onweerswolken
Hagel daarentegen ontstaat in veel onstuimiger omstandigheden. Voor hagel zijn er intense onweerswolken met sterke stijg- en valwinden en grote temperatuurverschillen in de wolken zelf nodig. Hier ontstaan onderkoelde waterdruppeltjes, die kouder zijn dan nul graden maar vloeibaar blijven doordat ze continu tussen warme en koude lagen heen en weer geslingerd worden. Zo krijgen ze geen kans om uit zichzelf te bevriezen.
Boven in de wolk komen deze druppeltjes uiteindelijk kleine ijskristallen tegen, waar ze wel aan vastvriezen. Door de turbulentie in de wolk worden die kristallen telkens opnieuw omhoog en omlaag geblazen. Iedere keer plakt er een laagje onderkoeld water aan vast, dat onmiddellijk bevriest. Zo groeien de ijskristallen uit tot ijsballetjes. Pas wanneer de hagelstenen te zwaar worden om in de luchtstromen vastgehouden te worden, vallen ze naar beneden.
Kortom: sneeuw ontstaat in rustige, stabiele, koude wolken, terwijl hagelstenen groeien in de heftige, stormachtige omgeving van onweersbuien.
Deze vraag kon je vinden in KIJK 11-12/2025.
Ook een vraag voor de rubriek ‘KIJK Antwoordt’? Mail hem naar info@kijkmagazine.nl. En in onze special geven we antwoord op 172 bijzondere, verrassende en boeiende vragen! Bestel hem hier!
Tekst: Dennis Voeten
Beeld: Gremlin/Getty Images