Of het nu herfst is, winter, lente of zomer: het hele jaar door brengen mensen (mid)weken of (lange) weekenden door op vakantieparken vol vertier. Zo ontstond dit vrijetijdsfenomeen.
In Engeland kon je er vanaf 1936 niet omheen, de vakantieparken van Billy Butlin. Hij opende dat jaar zijn eerste park in de Noordzeebadplaats Skegness. Zijn formule was simpel: ieder uur van de dag moest er vermaak zijn, en van een week loon moest de gewone man een week lang vakantie kunnen vieren. Op zijn allereerste advertentie in de Daily Express kwamen maar liefst 10.000 informatie-aanvragen binnen. Die buitengewone interesse voor zijn eerste vakantiepark valt niet los zien van de verbeterde positie van de arbeider in die jaren.
Hoewel Butlin een van de mensen was die het vakantiepark groot maakte, waren Joseph en Elizabeth Cunningham waarschijnlijk de uitvinders ervan. Wat in 1892 begon als een zomerkamp voor jongens, groeide in 1898 uit tot Cunningham’s Camp: een vakantiekamp voor mannen op het eiland Man. Op het terrein stonden grote tenten met bedden, je maaltijden werden geserveerd in de eetzaal en er was een recreatieruimte met spelletjes en een piano. De gasten hoefden alleen een handdoek mee te nemen, vooruit, en wat schone kleding. De rest was geregeld, van beddengoed tot bestek. Een compleet nieuw concept voor die tijd.
Lees ook:
- Vakantie vroeger: het kampeerpaspoort moest zedeloos gedrag aan banden leggen
- Waarom je altijd ziek wordt tijdens je vakantie
- Waarom moeten de raamschermen in een vliegtuig omhoog tijdens het opstijgen en landen?
De eerste familievakanties
Vakanties an sich waren niet nieuw. De elite ging al eeuwen op reis door Europa en vermaakte zich in buitenverblijven. Maar de gewone man kon aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw alleen nog maar dromen van zulke uitstapjes. Betaalde vakantiedagen waren niet bij wet geregeld, menig werkgever was niet van plan ze uit zichzelf te verstrekken. In Engeland kwam daar in 1938 verandering in. Dat jaar nam het parlement de Holidays with Pay Act aan, die iedere arbeider het recht gaf op een week betaalde vakantie per jaar. Dat was minder dan de twee waar de vakbonden op hoopten, maar het begin was er. Dankzij deze wet kon het volledige gezin voor het eerst met elkaar op vakantie.
Voor die tijd trokken moeders die het konden betalen al wel alleen met hun kinderen eropuit. Zij verbleven bijvoorbeeld in pensions of gingen een dagje naar zee. Butlin bediende zulke vakantiegangers als voormalig kermisexploitant regelmatig. Later zou hij vertellen dat zijn idee voor een vakantiepark vol vermaak ontstond toen hij op een regenachtige dag een gezin zag schuilen in een bushokje. Mensen willen een dak boven hun hoofd, dacht hij, en entertainment. Daarom konden bezoekers niet alleen gebruikmaken van zaken als een bowling- en tennisbaan, maar ook meedoen aan verkiezingen, zoals wie de ‘knobbeligste knieën’ had. Zoals de Nieuwe Provinciale Groninger Courant het in 1958 omschreef: “In Butlin-kampen doen zes miljoen grote mensen kinderspelletjes”. Het bleek een schot in de roos. ‘Skegness’ moest binnen een jaar uitbreiden, twee jaar later opende Butlin al een tweede kamp, in Clacton-on-Sea.

Cultuurverschillen
En aan onze kant van de Noordzee? Rotterdammers trokken na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) naar Hoek van Holland om wild te kamperen en van de zee te genieten. In 1923 opende daar een tentenkamp, maar het duurde niet lang voordat mensen hun eigen houten huisjes begonnen te bouwen en aan het einde van het seizoen weer afbraken. Tot op de dag van vandaag vind je op Recreatieoord Hoek van Holland kavels waar mensen hun eigen huisjes kunnen bouwen.
Vanaf de jaren vijftig verschenen de eerste krantenberichten over ‘echte’ vakantieparken, en in de jaren zestig ging het echt los. Grote spelers waren onder anderen Piet en Trude Derksen, de oprichters van Center Parcs (toen nog Sporthuis Centrum). Zij zetten in 1968 aluminium huisjes op een lap grond in Limburg en boekten daarmee zoveel succes, dat het al snel stenen bungalows werden. In 1981 openden de Derksens hun eerste park in België.
De Fransen betraden de vakantiemarkt met Club Méditerranée (Club Med), opgericht in 1950. Deze touroperator liet tent- en strohutdorpen aan de kust aanleggen in oorden als Mallorca. Daar kon de zontoerist genieten van een all-inclusive vakantie. Het Algemeen Dagblad publiceerde in 1966 een fraaie reportage met de verschillen tussen het Britse Butlin-kamp en het Franse Club Med. Vooral de foto’s van de lunch maakten het cultuurverschil duidelijk: een sober middagmaal met theekan voor de Britten, stapels voedsel en volle borden voor de Fransen – de wijn vloeide ongetwijfeld rijkelijk.

De tweede trip
Eind jaren tachtig verloor het vakantiepark zijn status als dé plek om je grote vakantie door te brengen. Vanwege de dikkere portemonnees konden steeds meer mensen zich een lange buitenlandreis veroorloven. Maar vergeten was het vakantiepark allerminst. Werknemers hadden zoveel extra betaalde vrije dagen verworven, dat ze zich inmiddels meer dan één trip konden veroorloven. En, zo meldde het NRC Handelsblad in 1986, die korte, extra vakantie brachten we het liefst door op een vakantiepark. Een kleine veertig jaar later is het bungalowpark nog steeds favoriet, bleek begin 2025 uit onderzoek van het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen. Wat ooit begon als de droomvakantie van de arbeider, werd de bestemming van zijn tweede vakantie, en is daarmee nog altijd een symbool van de toegenomen welvaart.
Dit artikel verscheen eerder al in KIJK Geschiedenis editie 8 van 2025.