Jezus kreeg geen kraambezoek van drie koningen

KIJK-redactie

05 januari 2026 16:16

driekoningen

Iedereen kent het verhaal van Jezus’ eerste kraambezoek: de drie koningen. De Bijbel beschrijft die alleen niet als een drietal én niet als koningen. Waar komt hun verhaal dan vandaan?

Het is 6 januari. De avond valt. Eerder op de dag is de kerstboom afgetuigd, werden de versieringen in dozen gestopt en zijn die dozen naar zolder gebracht. Nu klinkt de bel. Aan de deur staan drie kinderen, verkleed als koning en met een zelfgemaakte lampion in de hand. Ze zingen liedjes, vragen vervolgens om snoep. Na afloop wapperen ze met hun armen, een magisch gebaar om het huis te zegenen. Zodra de deur dichtvalt, hollen de kinderen weg. Een paar tellen later gaat de bel bij de buren.

Tradities veranderen. Tegenwoordig staat 6 januari of Driekoningen vooral bekend als het officieuze einde van de kerstperiode, maar ooit was het een heuse feestdag – waarbij uitgedoste kinderen daadwerkelijk op Halloweenachtige wijze door de straten banjerden. Ondanks dit veranderde karakter denken veel mensen nog wel te weten dat deze dag te maken heeft met drie koningen die de pasgeboren Jezus bezochten. Alleen: de originele bron beschrijft hen niet als een drietal, noch als koningen. Kennelijk veranderen niet alleen de tradities, maar ook de verhalen.

Lees ook:

Kleine carrière switch

Het echte verhaal begint met het Nieuwe Testament. Het wordt daarin één keer verteld, in het evangelie volgens Matteüs (2:1- 12), geschreven in de eerste eeuw van onze jaartelling. Na de geboorte van Jezus, staat daar te lezen, gingen enige ‘magiërs’ of ‘wijzen’ naar hem op zoek. Ze hadden zijn ster zien opgaan en wilden hem aanbidden. Toen deze ster uiteindelijk boven een huis bleef hangen, vonden de heren daar de gezochte Messias. Ze schonken hem goud, wierook, mirre. Daarna reisden ze terug naar huis. In de Nieuwe Bijbelvertaling is deze hele geschiedenis amper driehonderd woorden lang.

“Moderne lezers valt het misschien op dat Matteüs niet vermeldt om hoeveel wijzen het gaat”, zegt Bert Jan Lietaert Peerbolte, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam. “Het idee dat het er drie waren, is namelijk pas later ontstaan. Aan het begin van de derde eeuw stelt kerkvader Tertullianus dat er drie geschenken werden aangeboden, en dat er daarom waarschijnlijk ook drie bezoekers waren. Niet bepaald een waterdicht argument.” Toch slaat zijn gedachte aan: “Vanaf dat moment verandert ‘enkele wijzen’ steeds vaker in ‘drie wijzen’.”

Later in de derde eeuw begint bovendien de transformatie van wijzen naar koningen. Dat gebeurt wanneer het verhaal in verband wordt gebracht met eerdere Bijbelteksten. In Psalmen (72:10) wordt voorspeld dat koningen van andere volken ooit geschenken naar de Messias zullen brengen; de vertelling van Matteüs wordt geïnterpreteerd als het uitkomen van die profetie. Voor aanhangers van het dan nog jonge christendom biedt deze lezing een mooi bewijs dat hun geloof stevig in oudere tradities is geworteld – al moeten de nu-dus-drie wijzen daarvoor wel een kleine carrièreswitch maken.

Verborgen krachten

Nog later krijgen de kraambezoekers zelfs namen opgeplakt. Ze worden geïdentificeerd als Caspar, Balthasar en Melchior. De eerste is ongeveer twintig jaar oud, de tweede ongeveer veertig jaar oud, de derde ongeveer zestig jaar oud – waardoor ze fraaie symbolen vormen voor de drie levensfasen jeugd, volwassenheid en ouderdom. De eerste expliciete vermelding van deze namen volgt in de Excerpta Latina Barbari, een Latijnse vertaling (uit de achtste eeuw) van een Grieks manuscript uit de zesde eeuw. Ironisch genoeg zijn de namen van de schrijver en de vertaler dan weer niet bekend. En of de namen van de drie ‘koningen’ in de oorspronkelijke Griekse tekst stonden, zullen we ook nooit weten: dat manuscript is verloren gegaan.

Eén aspect van het Matteüs-evangelie is hiermee nog niet besproken. In de volksmond worden de hoofdpersonages uit dit deel van zijn verhaal vaak ‘wijzen’ of ‘koningen’ genoemd, maar in de Nieuwe Bijbelvertaling is voor het woord magiërs gekozen. Dat lijkt dichter in de buurt te komen van de Griekse term μάγοι of magoi, die Matteüs zelf gebruikte. In die tijd was een zogeheten magus (meervoud: magi) inderdaad een wijze, maar wel een speciaal soort wijze. Namelijk: een Perzische priester, die zich bezighield met geleerde magie.

Wat dat betekent? Dat onderzoekt Anthony Grafton, hoogleraar geschiedenis aan de Princeton-universiteit, in zijn boek Magus. The Art of Magic from Faustus to Agrippa. Hij legt uit dat magi boven alles geloofden dat er allerlei verborgen krachten werkzaam waren in de wereld, én dat zij die krachten konden leren gebruiken. Daarom verdiepten ze zich in alchemie, toverspreuken, kruidenmengsels, rituelen, talismannen en aanverwante zaken. Natuurlijk waren sommigen van hen gewiekste oplichters die slimme goocheltrucs vertoonden, maar anderen zagen hun werk als een belangrijke vorm van geleerdheid.

Tegen toverij

Met deze kennis in het achterhoofd is het niet moeilijk te snappen waarom Matteüs voor het begrip magoi koos. De bezoekers uit het Oosten vonden de geboorteplek van het kindeke Jezus immers door een ster te volgen. Oftewel: het waren astrologen. Het tegenwoordig gangbare onderscheid tussen astronomie als serieuze wetenschap en astrologie als serieuze zwendel bestond toen nog niet. Magi deden ernstig onderzoek naar de stand en de beweging van de hemellichamen én dachten dat ze daarmee hun omgeving konden beïnvloeden, de toekomst konden voorspellen… en pasgeboren godenzonen konden opsporen.

Volgens Grafton hebben sommige kerkgeleerden behoorlijk geworsteld met dit gegeven. Want hoewel je met een beetje goede wil ook in het christendom magische elementen kunt vinden – denk aan de hostie (‘het lichaam van Christus’), het geloof in de kracht van relikwieën, of het gebruik van wijwater – is de kerk officieel altijd tegen elke vorm van tovenarij geweest. En dan is het op zijn zachtst gezegd vreemd dat zelfs de originele bron meldt dat de eerste mensen die kennismaakten met de Verlosser, eigenlijk een zootje ketterse sterrenwichelaars waren.

Fascinerende transformatie

Ter illustratie van die worsteling bespreekt Grafton een preek die Nicolaas van Cusa gaf op 6 januari 1431. De Duitse theoloog keurde astrologie daarin volledig af, en dus ook de astrologie van de magi uit het Oosten. Sterker nog: in zijn voordracht waagt hij het zelfs om de door hen gevolgde ster in verband te brengen met Alsem, een grote en felle ster die in het Bijbelboek Openbaring (8:10-11) het einde der tijden lijkt aan te kondigen. Volgens de Duitse godsdienstleraar moeten de magiërs worden veroordeeld als vijanden van God.

Gelukkig biedt diezelfde Nicolaas van Cusa, in diezelfde preek, ook meteen een oplossing voor dit probleem. Want het christendom, stelt hij, is een religie voor álle mensen. Dit wordt juist bewezen door het feit dat een trio verdorven magiërs letterlijk hun weg naar Jezus vond. Volgens de theoloog lieten de bezoekers na hun ontmoeting met de Messias al hun dwaze praktijken varen, om zich te bekeren tot het enige echte geloof… Al zal het je in middels niet meer verbazen dat Matteüs daar met geen woord over repte.

“Het verhaal van de bezoekers uit het Oosten heeft een fascinerende transformatie doorgemaakt”, vat Lietaert Peerbol te samen. “Gedurende de geschiedenis zijn er steeds weer nieuwe aanpassingen, toevoegingen, verwijderingen en interpretaties waar te nemen. Voor historici is dat een bekend fenomeen. We zien bij veel oude verhalen, vooral wanneer die mondeling worden doorgegeven, dat ze voort durend op andere manieren worden verteld en voortdurend van vorm veranderen. Hoe interessant de ontwikkeling van dit specifieke verhaal ook is, an sich is het dus niet uniek.”

Altijd in beweging

Maar wat is dan het échte verhaal van Driekoningen? Voor sommigen zal dat de oertekst van Matteüs zijn, voor anderen de meest hedendaagse variant. Duidelijk is in elk geval dat de vertelling altijd in beweging is. En zo kan het gebeuren dat een geschreven verhaal over een ongenoemd aantal magi verandert in een volksgeloof over drie met naam en toenaam bekende koningen – en dat die twee versies op een bepaalde manier ook dezelfde geschiedenis vertellen. Misschien is die constante beweging wel het échte verhaal. Je zou het bijna magisch kunnen noemen.

Dit verhaal verscheen eerder in KIJK editie 1 van 2025.

Tekst: Rik Peters

Openingsbeeld: Shutterstock

Cover KIJK 2-2026

Duik in de wereld van wetenschap, technologie en ruimtevaart met KIJK! Ontdek de meest fascinerende achtergronden, baanbrekende ontwikkelingen en de spannendste verhalen uit de ruimte.

Wil jij niets missen én profiteren van een scherpe aanbieding? Word nu lid van KIJK en lees meer voor minder!

PODCAST

De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."