Genen van hagedis zijn aangepast aan het stadsleven

Marysa van den Berg

10-01-2023 09:00:00

hagedis

Puerto Ricaanse stadshagedissen hebben zich op zo’n manier aangepast dat ze genetisch zijn gaan verschillen van hun soortgenoten in het bos.

Een stad is meestal warmer, lawaaieriger en vervuilder dan de natuur eromheen. En uiteraard vol met gebouwen en mensen. De dieren die er leven, zullen zich daar noodgedwongen op moeten aanpassen. Dat lijkt een stadshagedis in Puerto Rico goed te zijn gelukt. Hij heeft inmiddels zelfs een afwijkend genenprofiel ontwikkelt ten opzichte van zijn soortgenoten in de bossen. Zo ontdekten biologen, onder leiding van Kristin Winchell, van de New York University. Ze publiceerden erover in Proceedings of the National Academy of Sciences.

Lees ook:

Aanpassing aan stadsleven

De hagedissensoort Anolis christatellus is klein en snel. De mannetjes bezitten een kleine ‘rugvin’ en een keelhuid die ze kunnen opzetten als onderdeel van het paarritueel. De hagedis komt voor in de bossen van Puerto Rico maar heeft het stadsleven in dat land zich inmiddels ook helemaal eigen gemaakt.

Uit eerder onderzoek van Winchell en collega’s bleek namelijk al dat A. christatellus-exemplaren in de stad langere poten bezitten dan zij die in het bos wonen. Zo kunnen ze sneller rennen in de open ruimtes tussen de gebouwen. Ook hebben ze grotere teenkussentjes, waarmee ze makkelijker kunnen lopen op gladde oppervlakten, zoals muren en ramen. Maar hebben deze speciale eigenschappen ook een genetische basis?

Verschil in genen

De onderzoekers analyseerden in totaal 96 hagedissen in de steden San Juan, Arecibo en Mayagüez en de daaromheen liggende bossen. Ze maten de poten en de teenkussentjes van de diertjes op. Die bleken net als in de voorgaande studie bij de stadshagedissen groter te zijn bij de bosexemplaren.

Vervolgens ontdekten Winchell en haar team dat de stadse A. christatellus een set van 33 genen had die verschilde van die van de bosbewoners. Het ging om genen die betrokken zijn bij ledemaat- en huidontwikkeling. Die verklaren de langere poten en voetkussentjes. Er waren ook genen bij die nodig zijn voor het immuunsysteem, wondheling en stofwisseling.

Sterkere afweer

Winchell en collega’s denken dat ook die laatste genen van groot belang zijn voor het leven in een stad. Een sterkere afweer helpt namelijk tegen parasieten, die vaker voorkomen in de stad, en een vlotte wondgenezing is nodig omdat stadshagedissen sneller gewond raken. Ook is het voedsel in de stad anders dan in het bos en het is goed om de stofwisseling daar op aan te passen.

De fysieke eigenschappen die we zien bij de stadhagedis zijn dus ook daadwerkelijk terug te zien in de genen van het diertje. Volgens de onderzoekers kan dit concept zelfs voorspellende waarde hebben. Zo zou je bij elk dier kunnen zien of hij zich daadwerkelijk genetisch aanpast aan het stadsleven. Lukt dat namelijk niet of niet snel genoeg, dan is zo’n dier gevoelig voor uitsterving en zou je de soort extra moeten beschermen.

Survival of the fittest

“Het verschijnsel dat soorten zich aanpassen aan stedelijke omgevingen is niet nieuw”, verklaart dierecoloog Rob Lenders van de Radboud Universiteit Nijmegen. “Onze eigen merel is daar een goed voorbeeld van; die ontwikkelde zich van schuwe bosvogel tot kosmopoliete stadsbewoner. In hoeverre dergelijke aanpassingen genetisch van aard zijn, zoals hier onderzocht, is bij mijn weten wel nieuw.”

“De natuur blijkt zich relatief snel aan onze invloeden te kunnen aanpassen”, vervolgt hij. “Maar we moeten het ook weer niet overschatten. Diersoorten die niet zo flexibel of snel zijn met aanpassen zullen grote moeite hebben uitsterven te voorkomen.”

“Deze prima studie geeft een goed voorbeeld weer van het concept survival of the fittest (de best aangepaste dieren krijgen de meeste nakomelingen, red.)”, vertelt dierpatholoog Gerry Dorrestein van het NOIVBD. “De aanpassingen die de stadhagedissen hier ontwikkelden geven een aanzienlijk voordeel in deze omgeving; niet alleen op fysiek gebied maar ook weerstand tegen ziektes en vervuiling. Een interessante vraag is nu: hoe groot moet zo’n groep dieren zijn om zulke aanpassingen aan hun genen te doen in een snel veranderende omgeving?”

Bronnen: PNAS, New York University via EurekAlert!

Beeld: Kristin Winchell

Ben je geïnteresseerd in de wereld van wetenschap & technologie en wil je hier graag meer over lezen? Word dan lid van KIJK! 



Podcast KIJK en luister via JUKE






Meer Nieuws