Gefossiliseerd braaksel suggereert dat plesiosauriërs naar rivierdelta’s zwommen en daar onverteerbare schelpen en botten uitkotsten.
In het dinotijdperk zwommen er gigantische reptielen in de zee, waaronder plesiosauriërs die soms wel 13 meter lang konden worden. Uit onderzoek van de University of Cambridge (VK) naar gefossiliseerd braaksel blijkt nu dat sommige plesiosauriërs naar rivierdelta’s zwommen om daar schelpen en andere onverteerbare voedselresten uit te kotsen.
Lees ook:
Braakballen
Eerdere onderzoeken naar de anatomie en bewegingen van plesiosauriërs wezen er al op dat deze iconische zeereptielen hun lange nek gebruikten om schaal- en schelpdieren van de zeebodem te eten. Maar hun tanden konden de schelpen en harde delen van het skelet vermoedelijk niet volledig verbrijzelen. Mogelijk werd het onverteerbare materiaal in de maag samengeperst en later als braakballen uitgekotst. Sommige dieren doen dat tegenwoordig ook, zoals uilen en reigers.
Rivierdelta
Paleontologen vonden het gefossiliseerde braaksel 50 kilometer voor de kust van Noorwegen. In het dinotijdperk was dit gebied een rivierdelta.
De kots bestond vooral uit resten van schaal- en schelpdieren die het stabiele zoutgehalte van de open oceaan nodig hadden om te overleven. In een rivierdelta voeren de rivieren zoet water aan en fluctueert het zoutgehalte juist sterk. De schaal- en schelpdieren zijn dus opgegeten in de open zee en vervolgens gedeeltelijk uitgebraakt in de ondiepere rivierdelta.
De dader moet zich dus in beide omgevingen hebben thuis gevoeld. Bovendien moet hij groot genoeg zijn geweest om de brokken met een diameter van zo’n 10 centimeter uit te kunnen braken.

Uitrusten na de jacht
Op basis van de inhoud en het formaat van het braaksel is een plesiosauriër uit de Cryptoclididae-familie volgens de onderzoekers de meest waarschijnlijke dader. Deze zeereptielen werden 4 tot 8 meter lang en leefden van ongeveer 174 tot 100 miljoen jaar geleden.
“De plesiosauriërs kwamen misschien naar de kust om na de jacht uit te rusten of te slapen, en waarschijnlijk braakten ze dan ook onverteerbare voedselresten uit”, zegt hoofdonderzoeker Dirk Knaust in een persbericht. “Tegenwoordig zien we dat pelsrobben en zeekrokodillen iets soortgelijks doen, maar terwijl die het land opgaan, bleven plesiosauriërs vanwege hun gewicht en vorm waarschijnlijk in het water.”
Bronnen: Geological Magazine, Cambridge University Press via EurekAlert!