Protesteren lijkt in de mode. Sla een willekeurige krant open en grote kans dat je een artikel vindt over een demonstratie ergens in het land, voor het een of tegen het ander of allebei tegelijk. Volgens onderzoekers komen we inderdaad meer in verzet dan vroeger, maar heeft dat in veel gevallen vooral een andere vorm gekregen.
Het is tijd voor verandering! Daarom bezetten pro-Palestijnse studenten een gebouw van Universiteit Utrecht. En daarom trokken boeren met hun landbouwvoertuigen naar Brussel. Daarom besmeurden milieuactivisten van Extinction Rebellion de ingang van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. En daarom legde personeel van het hoger onderwijs een dag lang het werk neer.
De demonstranten waren boos of ontevreden over totaal verschillende onderwerpen, maar ze besloten die emotie wel op een vergelijkbare manier te uiten: door te protesteren. En dat gebeurde allemaal in korte tijd, in december vorig jaar.
Zelfs politiek Den Haag is het opgevallen: vorig jaar stuurde het kabinet een brief over ‘Actuele dilemma’s over demonstreren in Nederland’ naar de Tweede Kamer, waarin onder meer werd gewezen op het toenemende aantal protesten en de daarvoor benodigde politie-inzet. Maar is verzet van burgers ook echt populairder dan vroeger, of lijkt dat alleen maar zo?
Lees ook:
- Werd in Nederland veel geprotesteerd tegen de Vietnamoorlog?
- Margaret Atwood protesteert met onbrandbaar boek
Kleine revoluties
Laten we meteen met de cijfers in huis vallen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt er nu inderdaad meer geprotesteerd dan voorheen. Bij onderzoek naar dit thema maken onze nationale rekenmeesters graag onderscheid tussen ‘conventionele politieke participatie’, zoals het stemmen bij verkiezingen of het lidmaatschap van een politieke partij, en ‘onconventionele politieke participatie’ zoals de deelname aan demonstraties of de betrokkenheid bij een actiegroep. Dat verschil is belangrijk, want bij het begrip ‘protest’ denk je waarschijnlijk vooral aan die laatste categorie – en juist die wordt steeds populairder.
De conventionele politieke participatie in ons land vertoont weinig spannende ontwikkelingen. De opkomst voor de Tweede Kamerverkiezingen schommelt bijvoorbeeld al zo’n twintig jaar rond de 80 procent. En vergeleken met 2012 hebben ontevreden Hollanders in 2021 weliswaar iets vaker een politieke partij of organisatie benaderd, maar zijn ze juist iets minder vaak naar inspraakbijeenkomsten of hoorzittingen van de overheid gegaan. De onderzoekers van het CBS concluderen dan ook dat onze conventionele politieke participatie “behoorlijk stabiel” is.
De onconventionele politieke participatie toont een ander beeld. Het percentage van de volwassen bevolking dat zegt in de afgelopen vijf jaar minstens een keer aan een protest te hebben deelgenomen, steeg van 30,2 in 2012 naar 33,7 in 2022. Favoriet daarbij blijken het ondertekenen van petities (30,6 procent in 2022), het deelnemen aan online acties (8,3 procent) en het meedoen aan demonstraties (6,8 procent). Toegegeven: een stijging van 3,5 procent lijkt niet meteen een signaal van een radicaal getransformeerde tijdgeest, maar achter die cijfers gaan heel wat kleine revoluties schuil.
Enorm veranderd
“Protest is enorm veranderd”, zegt Jacquelien van Stekelenburg desgevraagd. Ze is hoogleraar sociale verandering en conflict aan de Vrije Universiteit Amsterdam en onderzoekt waarom mensen bij grote sociale veranderingen protesteren. Toen ze in 2008 startte met een Europees onderzoek naar demonstraties heerste in haar werkveld nog de gedachte dat Nederland geen protestland was, maar inmiddels denkt ze daar anders over. “De laatste jaren zijn mensen meer en vooral ook anders gaan protesteren”, stelt ze. “Om het protest van nu te begrijpen, moet je dus eerst het protest van vroeger begrijpen.”
Dit is het begin van het artikel over het nieuwe protesteren. Het hele verhaal lees je in KIJK editie 4 van 2026.

Bestel KIJK editie 4 van 2026 in onze webshop, met gratis verzending binnen Nederland.
Tekst: Rik Peters
Beeld: